Leven & Meer (voorheen wandelen & meer)

Blog van Mirjam over stilte, geloven, kwetsbaarheid, pijn, dankbaarheid en bewust genieten van de kleine dingen in het leven.


Een reactie plaatsen

Gedicht

 

Soms is loslaten eng.

Je weet niet.

Waar je terecht komt.

Je hebt er geen grip op.

Je ziet het niet.

Maar blijven hangen.

Blijven hopen op verlichting.

Er zelfs naar verlangen.

Zal niet helpen in de juiste richting.

Soms is loslaten beter.

Met beide benen op de grond.

En de wind in je rug.

Zonder te vergeten waar je stond.

(Geen idee wie dit heeft geschreven. Ik kreeg een kaart van iemand en daar stond deze tekst op). Mooi en bemoedigend.


2 reacties

Gedicht

Steek een kaars aan in het duister,
laat het licht toe in je hart.
Maak je handen niet tot vuisten,
streel maar zacht, wat is verhard.
 
Steek een kaars aan in het duister
en zaai vrede waar je gaat.
Steek je armen uit en luister,
naar de mens die naast je staat.
 
Steek een kaars aan in het duister,
eer wat kwetsbaar is en klein.
Ga geduldig tot het uiterst,
laat waar jij bent liefde zijn.
Ik weet niet wie dit gedicht geschreven heeft.


2 reacties

Gedicht

Geloven

Het is een kwestie van richting,

een bepaalde weg die je gaat.

Zelf had je ‘m nooit gevonden,

een weg die jou vond,

een weg die je werd aangewezen.

Of hij begaanbaar is,

of hij goed afloopt,

je moet het maar vertrouwen.

Pas als je de eerste stap doet,

de tweede stap,

pas gaandeweg krijg je zekerheid.

Een vreemde weg, maar je komt niet bedrogen uit.

Degene die hem je aanwijst,

heeft kennelijk het beste met je voor.

Ach Hij, een God die niets liever wil,

dan dat je leeft volgens je diepste bestemming.

Als jij maar mens bent,

een prachtig en compleet mens.

 

(Hans Bouma, uit “Geloof”.)


Een reactie plaatsen

Gedicht/gebed

Een prachtig gedicht wat een kennis voorlas aan het einde van een vergadering afgelopen Dinsdag. Het sprak me aan en raakte me. Er is veel verdriet in de wereld. Omwille van ziekte/gezondheid, vluchten, zoeken naar vrijheid, oorlog, sterven. 😦 Ik hoop dat onderstaand gedicht/gebed ook iets voor jou kan betekenen.

 

Mijn vleugels

 

God, leer mij mijn vleugels gebruiken

Als ik mij in de diepte bevind.

Help mij om naar boven te stijgen

Zodat mijn geloof het toch wint!

Bevrijd mij van angst voor de feiten

Waardoor mijn bestaan lijkt bepaald.

Leer mij naar uw horizon kijken

Van waaruit uw licht mij bestraalt.

Dan zal ik mijn kracht nooit verliezen,

Al weet ik mij nog zo beknot.

’t Geloof geeft mij adelaarsvleugels

en tart elke speling van het lot.

God, blijf met uw liefde in mij werken,

bepaal mij bij uw perspectief,

zodat ik verruimd en verademd

uw zuivere luchten doorklief!

 

Gedicht van Truus van der Roest

Uit ‘ dichtbij de bron’.

 


Een reactie plaatsen

Hoevelen zijn niet deze weg gegaan

Jakobspad mama 208

 

 

 

 

 

 

Bezoek aan Hasselt

Toen bij schemer ik in Hasselt kwam voor ’t eerst,
zag ik aan d’overzijde van ’t Zwartewater.
Tegen ’t avonddonker als een lange zwarte pater
De kerk van Stefanus die ’t zicht op ’t waterfront beheerst.

Hoe velen zijn niet deze weg gegaan,
zoals inmiddels in een ver verleden,
de pelgrims gingen naar de Heilige Stede,
om daar voor ’s Heren aangezicht te staan.

Mijn doel is heel profaan: de Herderin.
‘k Kom niet in Hasselt om te pelgrimeren
maar om gezellig samen te dineren.
De tafels zijn gedekt, ik krijg al zin.

(Tin Plomp, burgemeester Zwartewaterland)


Een reactie plaatsen

Gedicht (Drents)

’t Diepien (stroompje)

Het lop deur het laand en het speult as een kind.007

Het laacht tegen “t locht en het daanst in de wind.

As glas is ’t zo helder; as zuiver zo blaank.

Het flikkert en fonkelt met sterren er maank.

 

Een zuivern lint tusken ’t gruun van de kaant.

Met schitt’rende kleuren van bloemen beraand.

’t Is schol en ’t is smal, moar het siegelt zo grif.

’t Doekt weg tusken ’t gruun en men zot niet woar ’t blif.

 

En diep in het water, hiel diep op het zaand.

Daor glinstert het gold, dat er ligt an de kaant.

Dat deur witte wieven bewaakt wordt en dekt.

Dat mennigien vaak nao de kolken hen trekt.

 

(J. H. Bergmans – Beins)